Onderhoudsvoorschriften - Werken van het hout

Bij wijziging van het vochtgehalte van het hout, zal er een volumeverandering optreden. Het hout zwelt bij vochtopname of krimpt bij vochtafgifte.

Bij parketvloeren wordt het hout onderworpen aan gemiddelde schommelingen van de relatieve vochtigheid van de binnenlucht, van 60% tot 30% (zomer winter). Onder het werken van het hout verstaan we de volumeverandering die het hout ondergaat tussen deze twee relatieve luchtvochtigheden.

Het volgende wordt daarbij aangenomen:

  • Gering: werken < 1,5%
  • Matig: werken tussen 1,5% en 2,8%
  • Hoog: werken > 2,8%

Om de krimp van het hout na de plaatsing zoveel mogelijk te beperken, wordt het hout door de fabrikanten vooraf gedroogd tot een gemiddeld vochtgehalte dat zo dicht mogelijk ligt bij het gemiddelde evenwichtsvochtgehalte dat het hout zal aannemen in de omgeving waarin het zal worden geplaatst.

Parket wordt volgens DIN norm 280, pagina 1 tot 4, geleverd met een houtvochtigheidsgraad van 9(+2%) en dient als zodanig te worden geplaatst.

Deze houtvochtigheidsgraad stemt overeen met een omgevingsklimaat van 20 tot 22 Celsius, en met een relatieve luchtvochtigheid van 55 tot 60%.

De hierboven genoemde normale omgevevingswaarden vormen wel een jaarlijks gemiddelde. In de zomer gaat men daar van nature uit boven; in de winter blijft men daar dan weer onder daar de woning dan verwarmd wordt.

Het kan dan ook niet anders of het hout, een natuurlijk produkt, wordt aan veranderingen onderhevig. In de zomer zal het parket onder invloed van het omgevingsklimaat lichtjes uitzetten, in de winter zal het dan weer lichtjes krimpen.