Basisprincipes - Eisen gesteld aan de ondergrond

Introductie

De karakteristieken van de ondergrond moet aan verschillende eisen voldoen vooraleer men met de plaatsing van parket kan beginnen.

De belangrijkste karakteristieken zijn :

  • Dimensionele karakteristieken zoals het peil, vlakheid, ruwheid, horizonaliteit,
  • Vochtgehalte,
  • Mechanische karakteristieken zoals oppervlakte cohesie, stabiliteit, therlische aspecten, akoestische aspecten.

Dimensionele karakteristieken

Het peil van de ondervloer is het peil van de afgewerkte vloer min de dikte van de vloerbekleding. Indien, bijvoorbeeld, gekozen wordt voor een parket van 1 cm dik, dan moet de chape op minimum 1 cm van het te bekomen niveau gelegd worden opdat het parket op het gewenste niveau zou komen zoals nul-pas van de woning of gelijk met de aangrenzende vloer.
Indien het peil van de ondervloer niet kan gekozen worden, kan eventueel het parket aan dit peil aangepast worden.

De vlakheid van de ondervloer wordt mede bepaald door de methode van de plaatsing en door het type parket. De vlakheid wordt gemeten met een rechte rij van 1 m en een rij van 2 meter. De openingen onder deze rijen moeten aan de volgende richtlijnen voldoen:

  • Voor een verlijmde parketvloer onder een rij van 1 m maximum 2 mm, en onder een rij van 2 m maximum 3 mm,
  • Ingeval van parket met ondervloer mag dit onder een rij van 1 m maximum 3 mm en onder een rij van 2 m, maximum 4 mm.


Voor verlijmd parket mag de ondervloer niet te glad zijn opdat de lijm een voldoende hechting zou kunnen verzekeren. Derhalve dient deze eventueel opgeruwd te worden tot een voldoende hechting kan bekomen worden. Bij zwevende plaatsing is deze factor van ondergeschikt belang.

Bij verlijmde plaatsing kan het parket hinder ondervinden van een instabiele ondergrond, door bijvoorbeeld krimp of uitzetting van de ondervloer. Voor de plaatsing van het parket moet men ervoor zorgen dat de ondervloer dus vormvast blijft, zodat deze zich niet verder manifesteren in het parket.
De krimp van de ondervloer is bij een nieuwe dekvloer na ongeveer 28 dagen uitgewerkt. Bij vloerverwarming moet men hierbij steeds rekening houden met de werking van de ondervloer, waardoor er sneller een uitzettingsvoeg moet voorzien worden.

Vochtgehalte

Bij plaatsing van een parketvloer hetzij rechtstreeks of onrechtstreeks, is er steeds een maximale vochtigheidsgraad van de ondervloer vereist. Deze wordt onder meer bepaald door de gebruikte materialen en types van ondervloeren.

De vochtigheidsgraad moet dus altijd gemeten worden, en dit best met een calcium-carbide toestel. Elektronische toestellen geven enkel een aanduiding maar geven geen zekerheid.

Elektronisch
Deze wordt meestal toegepast om het vochtgehalte van de vloer in zijn begin fase te meten. Dit omdat bij het gebruik van deze methoden de dekvloer op verschillende plaatsen op een gemakkelijke mannier kan gemeten worden en men vrijgoed overzicht bekomt over het droog proces van de dekvloer.

Carbidefles
Hoewel deze methode niet de meest gebruikelijke is, is deze wel
de meest juiste van alle methodes. Het volstaat niet om een meeting uit te voeren aan het oppervlak van de vloer , nee men bekomt de juiste meting aan de onderkant van de dekvloer.
Om een juist beeld te bekomen van het restvocht gehalte is het gebruikelijk om verschillende metingen uit te voeren vooral als we met grote oppervlaktes te maken hebben. Dit om een exact beeld te krijgen van het vochtgehalte in de dekvloer alvorens met de plaatsing van het parket te beginnen.

  • Cementgebonden (zonder vloerverwarming): 2,5%
  • Cementgebonden (met vloerverwarming): 1,5 (2)%
  • Anhydriet (traditioneel zonder vloerverwarming): 1%
  • Cementgebonden dekvloer voor zien van een epoxy vochtschild: 4%
  • Anhydriet (traditioneel met vloerverwarming): 0,6%
  • Anhydriet gietvloer: 0,6%

Als men een nieuwe ondervloer laat plaatsen, heeft deze een bepaalde tijd nodig om uit te drogen. Deze tijd is afhankelijk van:

  1. De temperatuur in de ruimte (aangeraden is de ruimte te verwarmen),
  2. De luchtvochtigheid in de ruimte (aangeraden de ruimte te verluchten),
  3. De samenstelling van de ondervloer (veel cement zal het droogproces vertragen maar geeft wel een goede sterkte. Te weinig cement is dus ook niet goed!)
  4. Vocht uit de ondergrond. Indien de ondervloer niet extra geïsoleerd is van de vloerplaat kan deze ook hiervan vocht opnemen. Er wordt dus aangeraden een extra vochtscherm aan te brengen tussen de ondervloer en de vloerplaat (=betonplaat). Hierdoor zal de chape ook sneller onder de gewenste vochtigheidsgraad komen.


Men zal er vooral op moeten toezien dat de dekvloer oppervlak tijdens het droog proces vrij blijft dit om het droog proces niet in gedrang te brengen en de gehele oppervlakte geleidelijk te doen laten drogen.

Mechanische karakteristieken

De oppervlaktecohesie van de vloer is belangrijk bij hechtend parket. Zowel de bovenlaag als de onderliggende lagen moeten een goede hechting vormen. Ook moeten de lagen op zichzelf een goede samenhang hebben. Een chape met een harde toplaag van 1 mm waaronder de rest van de chape is verzand kan niet aanvaard worden als ondervloer voor een hechtende parketvloer.
Er bestaan geen vaste waarden maar algemeen wordt aangenomen dat een minimale cohesie van 0.5N/mm wenselijk is. Dit is gelijklopend met de druksterkte aan de bovenlaag waardoor men bij een goede stabiliteit een goede cohesie verwacht.

De stabiliteit van de ondergrond houdt in dat de ondervloer een voldoende mechanische sterkte bezit, en onder invloed van een blijvende gebruikersbelasting geen overmatige doorbuiging vertoont (wat buiten de bevoegdheid van de parketteur ligt).
Indien de ondervloer aan een bepaalde druksterkte voldoet, zal deze aanvaard worden. De druksterkte wordt gemeten met een dekvloertester (ponstestweerstandsmeter) en dient groter of gelijk te zijn aan 8 N/mm. De weerstand tegen dynamische pons of inslagdiepte dient kleiner of gelijk te zijn aan 3 mm (gemiddelde waarde)of 5 mm (maximale waarde).

Hout is een thermisch isolerend materiaal dat het warmtetransport van de ondervloer naar de ruimte zal vertragen. Ondanks deze isolerende eigenschap van hout is deze onvoldoende om de volledige opbouw van de vloer te isoleren (volgens thermische reglementeringen). De werkelijke thermische isolatie dient dus in de ondergrond voorzien te worden, zoals bijvoorbeeld een extra isolatiechape onder de chape.

Bij het plaatsen van een parket zal men bij het ontwerp en keuze van de vloeropbouw ook rekening moeten houden met de akoestische eigenschappen van de ondergrond en het parket om de bewoners een goed akoestisch comfort te geven.
De bewoner kan zelf beslissen welke isolerende eigenschappen een vloer moet bezitten afhankelijk van de bestemming van de te bekleden ruimtes. Men dient een onderscheid te maken tussen contact en luchtgeluid. Door de juiste parket, ondervloer en plaatsingskeuze, kan men een bepaald akoestisch effect bekomen.